Visit Citebite Deep link provided by Citebite
Close this shade
Source:  http://www.limburgsedialecten.nl/sjablonen/dialecten/pagina.asp?subsite=176&onderwerp=900#5

Waarschuwing!

De website functioneert niet naar behoren in de browsers Internet Explorer 6 of lager. Om de website naar behoren te kunnen bekijken is een nieuwe browser nodig, zoals Internet Explorer 7.0 of Mozilla Firefox. Druk op 1 van de onderstaande iconen om een geschikte browser te downloaden.
Spreadfirefox Affiliate Button    

In het Limburgs

Publicaties

Muziek

Radio & TV

Geluidsdatabank

Over het Limburgs

Limburgse Streektaal

Educatie

Kenmerkende uitspraak

Eerste hulp bij het spreken

Limburgs schrijven

Publicaties

Limburgse streektaal

Wat verstaan we onder Limburgse streektaal? Hier wordt ingegaan op onder andere de grenzen, geschiedenis en kenmerken van de Limburgse taal.

  1. De grenzen van het Limburgs
  2. Ouderdom van het Limburgs
  3. Wat is het verschil tussen een taal en een dialect?
  4. Is het Limburgs een taal of een dialect? Of is het een verzameling van vele dialecten?
  5. Welke kenmerken hebben de Limburgs dialecten?
  6. Ondervindt het Nederlands er schade van dat het Limburgs een streektaal is?
  7. Hoe komt het dat er zoveel klankverschillen zijn in het Limburgs?
  8. Een Limburgse taalkaart: Inleiding
  9. Een Limburgse taalkaart: De Ripuarische dialecten
  10. Een Limburgse taalkaart: Het Ripuarische overgangsgebied
  11. Een Limburgse taalkaart: Het Oost-Limburgs
  12. Een Limburgse taalkaart: Het Centraal Limburgs
  13. Een Limburgse taalkaart: Het Kleverlands
  14. Een Limburgse taalkaart: Het mich-kwartier



De grenzen van het Limburgs

De naam 'Limburg' voor de provincies ten oosten en westen van de Maas is nog jong. Koning Willem I heeft die naam aan de toen nog ongedeelde provincie gegeven in 1815. Het parlement wilde de provincie 'Maastricht' noemen… De naam 'Limburgs' voor de taalvariëteiten in de verschillende plaatsen is dus ook jong. Door de mensen is die taal altijd 'plat' genoemd, in tegenstelling tot de taal die 'hoog' werd genoemd: dat is de taal van het hooggelegen deel van de taalfamilie. Het Limburgs is een deel van een grote taalfamilie die gebruikt wordt tussen Zuid-Tirol in Italië en de Noordzee. In dat grote gebied verandert de taal telkens een beetje van plaats tot plaats. Pas als je sprekers hebt uit twee plaatsen die ver uit elkaar liggen, is men minder goed verstaanbaar.

Het Limburgs is sterk verwant met de talen uit het Rijnland en met het Limburgs van Belgisch Limburg. Deze variëteiten hebben grotendeels dezelfde kenmerken als het Limburgs. Niet alle kenmerken zijn in alle Limburgse plaatselijke dialecten aanwezig. Sommige komen alleen in het zuiden voor, andere alleen in het noorden, sommige in het westen, andere in het oosten.

De grens van het Limburgs is niet te trekken op taalkundige gronden. Daarom heeft men besloten om 'het Limburgs' samen te laten vallen met de provinciegrenzen. Men beschouwt alle dialecten binnen Limburgs als 'Limburgs'. Men doet dat ook met dialecten waar men wel eens 'Gelders' tegen heeft gezegd: de dialecten van het noordelijkste punt van Limburg. Het is een politiek besluit om al deze dialecten 'Limburgs' te noemen, geen taalkundig. Hier wordt met 'Limburgs' alleen maar bedoeld: alle dialecten die van oudsher in Nederlands Limburg gebruikt worden.


Ouderdom van het Limburgs

De dialecten binnen Limburg komen van dezelfde 'voorvaderlijke' tak als het Nederlands en het Duits. Het zijn geen bastaarden van het Nederlands of het Duits. De Limburgse dialecten hebben een zelfstandige ontwikkeling gehad, los van het Nederlands en het Duits. Dat kan men het beste zien (eigenlijk: horen) als men de kenmerken van het Limburgs bekijkt. Sommige kenmerken heeft het Limburgs samen met het Nederlands, andere samen met het Duits, maar het heeft dus ook kenmerken die niet in het Nederlands en ook niet in het Duits voorkomen.

Het Limburgs is vanwege die afstamming even oud als het Duits, het Nederlands, het Fries en alle andere dialecten die geen standaardtaal geworden zijn (het Saksisch, het Zeeuws, het Vlaams, het Beiers, het Thurings).

De precieze leeftijd van het Limburgs is niet vast te stellen. Men merkt een taal pas op als ze in geschreven vorm bestaat. Het oudste ons bekende Limburgs dateert van ongeveer 1170. Het is het werk van Henric van Veldeke.


Wat is het verschil tussen een taal en een dialect?

Taalkundig gezien bestaat er geen verschil tussen talen en dialecten. Iedere taal en ieder dialect heeft klanken, woorden, woordgroepen, zinnen, uitdrukkingen en spreekwoorden. Iedere taal en dialect heeft een grammatica (al is dat voor een dialect vaak niet op papier vastgelegd). Iedere taal of dialect heeft 'mooie taal' of poëzie (al is dat in dialect vaak niet op papier vastgelegd). Taalkundigen zullen nooit zeggen dat er verschillen bestaan tussen talen en dialecten.

Echter, maatschappelijk gezien bestaan er veel verschillen tussen talen en dialecten. Hier volgen er enkele:

  • een taal wordt op school onderwezen, een dialect niet;
  • een taal heeft een spelling die wettelijk is geregeld, een dialect niet;
  • een taal wordt zakelijk op papier gebruikt, een dialect niet;
  • een taal heeft registers die een dialect meestal niet heeft (het register van de wetgeving, het register van de rechtspraak);
  • een taal wordt meestal door een overheid beschermd; bij een dialect komt dat zelden voor.


Door deze verschillen wordt een taal anders gewaardeerd dan een dialect. Men zegt vaak: met een taal kun je vooruit komen, met een dialect niet.


Is het Limburgs een taal of een dialect? Of is het een verzameling van vele dialecten?

Taalkundigen vinden het antwoord op de eerste vraag niet erg interessant. Zij weten dat talen in taalkundig opzicht gelijk zijn aan dialecten. Dat geldt niet alleen voor het Limburgs in het algemeen, maar ook voor ieder plaatselijk dialect. Het Grieks van Homerus is taalkundig even interessant als het Limburgs van Ingber (een plaats tussen Valkenburg en Gulpen).
Er bestaat geen overkoepelend Limburgs, terwijl er wel een overkoepelend Fries bestaat. Dat overkoepelende Fries bestaat alleen op papier. Als Friezen met elkaar spreken, doen ze dat in hun eigen plaatselijke Fries. Als ze schrijven, gebruiken ze het oude dialect van Leeuwarden.
Limburgers schrijven over het algemeen in hun eigen plaatselijke Limburgs, de taal waarin ze ook met elkaar spreken.
Bestaat het Limburgs dan wel?
Jazeker.
Het bestaat in de bonte verscheidenheid van allemaal plaatselijke dialecten. Samen vormen zij het Limburgs. Al die dialecten samen hebben het kenmerk dat het te beschouwen is als een aparte taalgroep, los van het Nederlands.
Bij de erkenning van het Limburgs (op 20 februari 1997) heeft de Nederlandse regering de bonte verscheidenheid van Limburgse dialecten aangemerkt als 'de Limburgse taal'. In Limburg wilde men dat, gezien de aanvraag die daarvoor is ingediend. Den Haag heeft die wil gerespecteerd.
Overigens, ook het Nedersaksisch, dat al in 1996 erkend is als streektaal, heeft geen eenvormige schrijftaal: Groningers spreken hun eigen Gronings, in Drente en Overijssel doet men hetzelfde, evenals in de Achterhoek.


Welke kenmerken hebben de Limburgse dialecten?

  • In alle Limburgse dialecten komt de umlaut voor (klinkerverandering bij verkleining van zelfstandige naamwoorden). Zoals bij: daak - daekske, paol - päölke, tas - teske.
  • Een dergelijke klankwisseling komt ook voor in de tegenwoordige tijd van bepaalde sterke werkwoorden: ich gaef, doe guuefs, hae guuef; ich stoeat, doe stuuets, hae stuuet.
  • Het Limburgs heeft drie soorten zelfstandige naamwoorden: mannelijke, vrouwelijke en onzijdige. Let maar eens op de lidwoorden van de voorbeeldwoorden: dae miens, die vrouw, det kindj. Het Nederlands heeft twee soorten: de- en het-woorden.
  • Het meervoud heeft geheel eigen regels: eine paol -> maar mieë päöl, eine tandj -> mieë tenj, ein hoes -> mieë hoezer.
  • De meeste Limburgse dialecten kunnen door eenzelfde lettergreep op twee aparte manieren uit te spreken, betekenisverschillen aangeven. Dat verschijnsel komt in Limburg voor onder de lijn Meijel-Well. Als men 'bein' langgerekt uitspreekt, weten Limburgers dat het over één been gaat. Als men het woord kort en krachtig uitspreekt (zoals in het Nederlands), weten Limburgers dat het over de meervoudsvorm, dus meerdere benen, gaat.
    Om deze reden noemt men het Limburgs een toontaal. Toontalen komen niet veel voor in Europa.
  • De meeste Limburgse dialecten van onder de lijn Meijel -Well, hebben veel woorden met -ch waar het Nederlands een -k heeft: ich, dich, mich, ouch, uch, zich en andere varianten.
  • Het Limburgs heeft een eigen zinsmelodie die het duidelijkst te horen is in vragen die met 'ja' of 'nee' beantwoord moeten worden. Bijvoorbeeld de vraag: Geis se mit? In het Limburg gaat de toon lang niet zoveel omhoog als in het Nederlands.
    Ook een opsomming heeft een eigen zinsmelodie. Het Limburgs is anders dan het Nederlands, maar ook anders dan het Duits.


Ondervindt het Nederlands er schade van dat het Limburgs een streektaal is?


Moderne opvattingen over taal zeggen dat taalverscheidenheid beschouwd moet worden als rijkdom. Als er binnen een land meerdere talen bestaan, is dat culturele rijkdom. Het Nederlands is de standaardtaal die alle Nederlanders en Vlamingen goed moeten leren. Aandacht voor het Limburgs mag niet ten koste gaan van aandacht voor het Nederlands. Het Nederlands is en blijft onze standaardtaal. We zijn naast Limburgssprekenden ook Nederlandssprekenden. Men mag Limburgstaligen beschouwen als Nederlandssprekenden.
Op school mag al sinds de invoering van de basisschool en de invoering van de mammoetwet tijdens de Nederlandse les aandacht zijn voor regionale talen in levend gebruik. Binnen Nederlandse lesmethodes vindt men altijd stukken stof die gaan over streektalen. Op die momenten mag er dus gerust ook aandacht zijn voor het Limburgs. Ook in die zin is het bestaan van het Limburgs niet schadelijk voor het Nederlands.
Het Limburgs moet niet in gevecht komen met het Nederlands. Wel mag het een eigen positie opeisen.


Hoe komt het dat er zoveel klankverschillen zijn in het Limburgs? 

Waarom zegt met in de ene plaats sjtaon, in de andere plaats staon en weer ergens anders sjtoan? Waarom is er zo'n grote verscheidenheid in het woord voor 'jullie': gae, geer, gier, deer, dier, daer?
Het antwoord op die vraag is lastig. Taalkundigen gaan ervan uit dat het Limburgs rond 1200 veel meer dezelfde klanken en woorden had, dan nu. In de loop van acht eeuwen zijn er plaatselijke verschillen ontstaan. Waarom dat juist die specifieke verschillen zijn, is onbekend. Wel weet men dat dergelijke verschillen over de hele wereld ontstaan als grote groepen mensen zich opsplitsen en in kleinere groepen gaan wonen. Over de hele wereld is dat de oorzaak van taalvariatie. Maar taalgebruikers kennen alleen maar de taal uit de eigen taalomgeving.
Kleine groepjes in aparte plaatsen schijnen zich te willen onderscheiden in taal. Daarom is er de neiging om een eigen herkenbare taal te willen hebben. Dat is een tendens.
De tweede tendens werkt tegengesteld. De taal mag nooit zoveel anders worden dat de verstaanbaarheid in het geding is. Tussen die twee tendensen schijnen dialectgebieden altijd te balanceren.
In Limburg hebben beide tendensen prima gewerkt: Limburgers kunnen elkaar goed begrijpen, maar er is toch behoorlijk wat variatie.




Een Limburgse taalkaart

Inleiding

Zoals hierboven ook al is beschreven, bestaat het Limburgs uit een verzameling van tientallen verschillende dialecten, die elk hun typische kenmerken vertonen. Woordenschat en vooral uitspraak kunnen vaak al bij plaatsen op korte afstand van elkaar afwijken. Gelukkig hebben we het dan wel steeds over kleine verschillen die de onderlinge verstaanbaarheid niet in de weg staan.

Binnen die bonte waaier van dialecten zijn er wel een aantal ‘families’ te onderscheiden, groepen dialecten die door bepaalde kenmerken van andere groepen dialecten kunnen worden afgebakend. De grens tussen twee van zulke dialectgebieden wordt in de taalkunde een isoglosse genoemd. Met behulp van isoglossen wordt het verspreidingsgebied van een bepaalde klank, een bepaald verschijnsel of een bepaald woord afgegrensd. Deze grenslijnen worden vaak genoemd naar een plaats waar ze langs of doorheen lopen. Zo kennen we in het Limburgse taalgebied bijvoorbeeld de Benrather lijn, de Panninger lijn en de Uerdinger lijn. De Limburgse dialectgebieden op de bijgevoegde kaart zijn met behulp van dit soort isoglossen ten opzichte van elkaar afgebakend. Het gaat daarbij dus steeds om één verschijnsel; andere dialectkenmerken van het betreffende gebied kunnen heel goed ook in het aangrenzende gebied aanwezig zijn. De meeste Limburgse taalgrenzen stoppen niet aan de staatsgrens: ze gaan verder in het Rijnland en in buurprovincie Belgisch-Limburg.

De isoglossen in Limburg lopen allemaal van noord naar zuid. Dat heeft te maken met het feit dat veel verschijnselen die ze afgrenzen vanuit het Rijnland in Limburg zijn terechtgekomen. Met name Keulen heeft daarbij een heel belangrijke rol gespeeld. Deze beschrijving van de verschillende Limburgse taalgebieden begint dan ook in het zuidoosten bij de Ripuarische dialecten, omdat die de meeste Rijnlandse kenmerken vertonen.

De Ripuarische dialecten
De Ripuarische dialecten vormen het paarse gebied op de kaart. Het Ripuarisch omvat de plaatsen Kerkrade, Bocholtz, Simpelveld en Vaals in het zuidoosten van de provincie. De westelijke grenslijn ervan wordt gevormd door de Benrather lijn. Deze lijn wordt ook wel eens de maken-machen lijn genoemd, omdat de dialecten ten westen ervan de vorm make gebruiken en de dialecten ten oosten mache. Deze overgang van k naar ch is één van de klankwijzigingen die in zijn geheel onder de term Hoogduitse klankverschuiving bekend staat. In de Ripuarische dialecten hebben ook de medeklinkers t en p die wijziging ondergaan. In het Kerkraads bijvoorbeeld, spreekt men niet van tied maar van tsied (‘tijd’), aese in plaats van aete (‘eten’) en kroefe in plaats van kroepe (‘kruipen’).
Een ander opvallend kenmerk van de Ripuarische dialecten is het voorkomen van een j op plaatsen waar meer westelijke dialecten een g gebruiken: jans tegenover gans (‘helemaal’), jod tegenover good (‘goed’) en verjaese naast vergaete (‘vergeten’). De wisseling van g naar j komt niet in alle Ripuarische dialecten voor: het verschijnsel beperkt zich tot de plaatsen Kerkrade, Bocholtz en Vaals.
Opmerkelijk bij de dialecten uit dit gebied is ook de eigen vormingswijze van de verleden tijd van de zwakke werkwoorden: pakket tegenover meer westelijk pakde (‘pakte’) of lofet naast westelijker leep (‘liep’).
Ten slotte vallen de dialecten in het uiterste zuidoosten van Limburg op door een groot aantal Duitse woorden: tsiedónk (‘krant’), tsóg (‘trein’), fiermóng (‘vormsel’), boechsjtaab (‘letter’), obs (‘fruit’).

Het Ripuarische overgangsgebied
Het Ripuarische overgangsgebied is in de kaart lichtgroen gekleurd. De dialecten uit dit gebied hebben, zoals de naam al zegt, veel overeenkomsten met de Ripuarische dialecten. Zo gebruiken ze ook de werkwoorden han (‘hebben’) en zage (‘zeggen’), waar meer westelijk gelegen Limburgse dialecten van höbbe en zègke spreken. Bovendien kenmerken ze zich door een wegval van de r na een klinker als daar een t, een s of de combinatie st op volgt: zjwat (‘zwart’), kieësj (‘kers’), doeësj (‘dorst’).
Een belangrijk verschil met de Ripuarische dialecten is dat ze de Hoogduitse klankverschuiving niet hebben ondergaan. Daar is één uitzondering op: de dialecten in dit gebied hebben wel een verschoven vorm in de uitgang –lijk. Die wordt als –lig uitgesproken: gemekkelig (‘gemakkelijk’), behuurlig (‘behoorlijk’), ierlig (‘eerlijk’).

Het Oost-Limburgs
Het Oost-Limburgs is in de kaart rood gekleurd. De westelijke grenslijn van dit gebied wordt gevormd door de zogenaamde Panninger lijn. De Oost-Limburgse dialecten kenmerken zich door het feit dat zij bij de medeklinkercombinaties sp-, st-, sl-, sm-, sn- en zw- aan het begin van het woord een sj-klank gebruiken: sjpele (‘spelen’), sjtrikke (‘breien’), sjlaope (‘slapen’), sjmere (‘smeren’), sjnavel (‘snavel’) en zjwart (‘zwart’). In het zuidelijk deel van het Oost-Limburgs hoort men die sj-klank ook aan het eind van woorden: miensj (‘mens’), vösj (‘vis’), valsj (‘vals’).
Een groot deel van de Oost-Limburgse dialecten wordt verder gekenmerkt door de zogenaamde mouillering. Daarbij wordt de medeklinkercombinatie –nd uitgesproken als –nj of –ndj. In het Roermonds of Sittards bijvoorbeeld, hoort men dus niet wandele maar wanjele en mandj en hóndj in plaats van mand en hond.

Het Centraal-Limburgs
De smalle strook langs de Maas en rond Weert in het westen van de provincie wordt het Centraal-Limburgs genoemd. Die naam lijkt op het eerste gezicht merkwaardig, maar is zo gekozen omdat dit gebied samen met een groot gedeelte van de Belgische provincie Limburg het centrale deel vormt van het hele Limburgse taalgebied. De Centraal-Limburgse dialecten, bijvoorbeeld het Maastrichts of het Tongers, hebben geen sj-klank in woorden die beginnen met de medeklinkercombinatie sp-, st-, sl-, sm-, sn- en zw-: spele (‘spelen’), strikke (‘breien’), slaope (‘slapen’), maar wel – net als de meer oostelijk van dit gebied gelegen dialecten – in woorden waar de standaardtaal sch- kent: sjoeël (‘school’), sjoen (‘mooi’), sjolk (‘schort’). Uitzondering op deze regel vormen de dialecten van Weert en omgeving: daar gebruikt men die sch- wel.

Het Kleverlands 
Het Kleverlands is in de kaart oranje gekleurd. De Kleverlandse dialecten vertonen al veel Brabantse trekjes. Zo spreekt men er bijvoorbeeld van geej en gillie in plaats van het in meer zuidelijk Limburgs gebruikelijke doe of dich (‘jij’) en geer (‘jullie’). Ten noorden van plaatsen als Velden, Venlo en Arcen kent men er ook het onderscheid niet meer tussen sleeptoon en stoottoon waarmee in een groot deel van de Limburgse dialecten een verschil in betekenis kan worden aangegeven: sjtein (met sleeptoon: ‘steen’; met stoottoon: ‘stenen’), sjloek (met stoottoon: ‘snoep’; met sleeptoon: ‘waterslang’), wins (met stoottoon: ‘winst’; met sleeptoon: ‘wens’).
Wel gebruikt men in het Kleverlands, net als in de rest van Limburg, eenklanken op plaatsen waar de standaardtaal een tweeklank kent: ies voor ‘ijs’, hoes of huus voor ‘huis’.
In het zuiden wordt het Kleverlands begrensd door de Uerdinger lijn. Deze lijn vormt de scheidslijn tussen de zuidelijke dialecten die de vormen ich en ouch gebruiken en de noordelijke die in deze gevallen de uitspraak ik en ouk kennen.

Het Mich-kwartier 
Het groene gebied rond Venlo is een overgangsgebied tussen het Kleverlands en het Oost-Limburgs. De dialecten hier gebruiken het noordelijk ik en het zuidelijk mich (‘mij’) naast elkaar. Meer noordelijk in de provincie, bijvoorbeeld in een plaats als Mook, kent men voor deze laatste vorm het woord mien. Het gebied wordt in de taalkunde daarom het mich-kwartier genoemd.


Klik hier voor de Limburgse dialectkaart
Klik hier voor de dialectkaart met een overzicht van Limburgse en Rijnlandse dialecten




 
 
Colofon