In het Limburgs
Publicaties
Muziek
Radio & TV
Geluidsdatabank
Over het Limburgs
Limburgse Streektaal
Educatie
Kenmerkende uitspraak
Eerste hulp bij het spreken
Limburgs schrijven
Publicaties
Limburgse streektaal
Wat verstaan we onder Limburgse streektaal? Hier wordt ingegaan op onder andere de grenzen, geschiedenis en kenmerken van de Limburgse taal.
- De grenzen van het Limburgs
- Ouderdom van het Limburgs
- Wat is het verschil tussen een taal en een dialect?
- Is het Limburgs een taal of een dialect? Of is het een verzameling van vele dialecten?
- Welke kenmerken hebben de Limburgs dialecten?
- Ondervindt het Nederlands er schade van dat het Limburgs een streektaal is?
- Hoe komt het dat er zoveel klankverschillen zijn in het Limburgs?
- Een Limburgse taalkaart: Inleiding
- Een Limburgse taalkaart: De Ripuarische dialecten
- Een Limburgse taalkaart: Het Ripuarische overgangsgebied
- Een Limburgse taalkaart: Het Oost-Limburgs
- Een Limburgse taalkaart: Het Centraal Limburgs
- Een Limburgse taalkaart: Het Kleverlands
- Een Limburgse taalkaart: Het mich-kwartier
De grenzen van het Limburgs
De naam 'Limburg' voor de provincies ten oosten en westen van de Maas is nog jong. Koning Willem I heeft die naam aan de toen nog ongedeelde provincie gegeven in 1815. Het parlement wilde de provincie 'Maastricht' noemen… De naam 'Limburgs' voor de taalvariëteiten in de verschillende plaatsen is dus ook jong. Door de mensen is die taal altijd 'plat' genoemd, in tegenstelling tot de taal die 'hoog' werd genoemd: dat is de taal van het hooggelegen deel van de taalfamilie. Het Limburgs is een deel van een grote taalfamilie die gebruikt wordt tussen Zuid-Tirol in Italië en de Noordzee. In dat grote gebied verandert de taal telkens een beetje van plaats tot plaats. Pas als je sprekers hebt uit twee plaatsen die ver uit elkaar liggen, is men minder goed verstaanbaar.
De grens van het Limburgs is niet te trekken op taalkundige gronden. Daarom heeft men besloten om 'het Limburgs' samen te laten vallen met de provinciegrenzen. Men beschouwt alle dialecten binnen Limburgs als 'Limburgs'. Men doet dat ook met dialecten waar men wel eens 'Gelders' tegen heeft gezegd: de dialecten van het noordelijkste punt van Limburg. Het is een politiek besluit om al deze dialecten 'Limburgs' te noemen, geen taalkundig. Hier wordt met 'Limburgs' alleen maar bedoeld: alle dialecten die van oudsher in Nederlands Limburg gebruikt worden.
Ouderdom van het Limburgs
De dialecten binnen Limburg komen van dezelfde 'voorvaderlijke' tak als het Nederlands en het Duits. Het zijn geen bastaarden van het Nederlands of het Duits. De Limburgse dialecten hebben een zelfstandige ontwikkeling gehad, los van het Nederlands en het Duits. Dat kan men het beste zien (eigenlijk: horen) als men de kenmerken van het Limburgs bekijkt. Sommige kenmerken heeft het Limburgs samen met het Nederlands, andere samen met het Duits, maar het heeft dus ook kenmerken die niet in het Nederlands en ook niet in het Duits voorkomen.
Wat is het verschil tussen een taal en een dialect?
Taalkundig gezien bestaat er geen verschil tussen talen en dialecten. Iedere taal en ieder dialect heeft klanken, woorden, woordgroepen, zinnen, uitdrukkingen en spreekwoorden. Iedere taal en dialect heeft een grammatica (al is dat voor een dialect vaak niet op papier vastgelegd). Iedere taal of dialect heeft 'mooie taal' of poëzie (al is dat in dialect vaak niet op papier vastgelegd). Taalkundigen zullen nooit zeggen dat er verschillen bestaan tussen talen en dialecten.
- een taal wordt op school onderwezen, een dialect niet;
-
een taal heeft een spelling die wettelijk is geregeld, een dialect niet;
-
een taal wordt zakelijk op papier gebruikt, een dialect niet;
-
een taal heeft registers die een dialect meestal niet heeft (het register van de wetgeving, het register van de rechtspraak);
-
een taal wordt meestal door een overheid beschermd; bij een dialect komt dat zelden voor.
Door deze verschillen wordt een taal anders gewaardeerd dan een dialect. Men zegt vaak: met een taal kun je vooruit komen, met een dialect niet.
Is het Limburgs een taal of een dialect? Of is het een verzameling van vele dialecten?
Taalkundigen vinden het antwoord op de eerste vraag niet erg interessant. Zij weten dat talen in taalkundig opzicht gelijk zijn aan dialecten. Dat geldt niet alleen voor het Limburgs in het algemeen, maar ook voor ieder plaatselijk dialect. Het Grieks van Homerus is taalkundig even interessant als het Limburgs van Ingber (een plaats tussen Valkenburg en Gulpen).
Er bestaat geen overkoepelend Limburgs, terwijl er wel een overkoepelend Fries bestaat. Dat overkoepelende Fries bestaat alleen op papier. Als Friezen met elkaar spreken, doen ze dat in hun eigen plaatselijke Fries. Als ze schrijven, gebruiken ze het oude dialect van Leeuwarden.
Limburgers schrijven over het algemeen in hun eigen plaatselijke Limburgs, de taal waarin ze ook met elkaar spreken.
Bestaat het Limburgs dan wel?
Jazeker.
Het bestaat in de bonte verscheidenheid van allemaal plaatselijke dialecten. Samen vormen zij het Limburgs. Al die dialecten samen hebben het kenmerk dat het te beschouwen is als een aparte taalgroep, los van het Nederlands.
Bij de erkenning van het Limburgs (op 20 februari 1997) heeft de Nederlandse regering de bonte verscheidenheid van Limburgse dialecten aangemerkt als 'de Limburgse taal'. In Limburg wilde men dat, gezien de aanvraag die daarvoor is ingediend. Den Haag heeft die wil gerespecteerd.
Overigens, ook het Nedersaksisch, dat al in 1996 erkend is als streektaal, heeft geen eenvormige schrijftaal: Groningers spreken hun eigen Gronings, in Drente en Overijssel doet men hetzelfde, evenals in de Achterhoek.
Welke kenmerken hebben de Limburgse dialecten?
- In alle Limburgse dialecten komt de umlaut voor (klinkerverandering bij verkleining van zelfstandige naamwoorden). Zoals bij: daak - daekske, paol - päölke, tas - teske.
-
Een dergelijke klankwisseling komt ook voor in de tegenwoordige tijd van bepaalde sterke werkwoorden: ich gaef, doe guuefs, hae guuef; ich stoeat, doe stuuets, hae stuuet.
-
Het Limburgs heeft drie soorten zelfstandige naamwoorden: mannelijke, vrouwelijke en onzijdige. Let maar eens op de lidwoorden van de voorbeeldwoorden: dae miens, die vrouw, det kindj. Het Nederlands heeft twee soorten: de- en het-woorden.
-
Het meervoud heeft geheel eigen regels: eine paol -> maar mieë päöl, eine tandj -> mieë tenj, ein hoes -> mieë hoezer.
-
De meeste Limburgse dialecten kunnen door eenzelfde lettergreep op twee aparte manieren uit te spreken, betekenisverschillen aangeven. Dat verschijnsel komt in Limburg voor onder de lijn Meijel-Well. Als men 'bein' langgerekt uitspreekt, weten Limburgers dat het over één been gaat. Als men het woord kort en krachtig uitspreekt (zoals in het Nederlands), weten Limburgers dat het over de meervoudsvorm, dus meerdere benen, gaat.
Om deze reden noemt men het Limburgs een toontaal. Toontalen komen niet veel voor in Europa. -
De meeste Limburgse dialecten van onder de lijn Meijel -Well, hebben veel woorden met -ch waar het Nederlands een -k heeft: ich, dich, mich, ouch, uch, zich en andere varianten.
-
Ook een opsomming heeft een eigen zinsmelodie. Het Limburgs is anders dan het Nederlands, maar ook anders dan het Duits.Het Limburgs heeft een eigen zinsmelodie die het duidelijkst te horen is in vragen die met 'ja' of 'nee' beantwoord moeten worden. Bijvoorbeeld de vraag: Geis se mit? In het Limburg gaat de toon lang niet zoveel omhoog als in het Nederlands.
Ondervindt het Nederlands er schade van dat het Limburgs een streektaal is?
Moderne opvattingen over taal zeggen dat taalverscheidenheid beschouwd moet worden als rijkdom. Als er binnen een land meerdere talen bestaan, is dat culturele rijkdom. Het Nederlands is de standaardtaal die alle Nederlanders en Vlamingen goed moeten leren. Aandacht voor het Limburgs mag niet ten koste gaan van aandacht voor het Nederlands. Het Nederlands is en blijft onze standaardtaal. We zijn naast Limburgssprekenden ook Nederlandssprekenden. Men mag Limburgstaligen beschouwen als Nederlandssprekenden.
Op school mag al sinds de invoering van de basisschool en de invoering van de mammoetwet tijdens de Nederlandse les aandacht zijn voor regionale talen in levend gebruik. Binnen Nederlandse lesmethodes vindt men altijd stukken stof die gaan over streektalen. Op die momenten mag er dus gerust ook aandacht zijn voor het Limburgs. Ook in die zin is het bestaan van het Limburgs niet schadelijk voor het Nederlands.
Het Limburgs moet niet in gevecht komen met het Nederlands. Wel mag het een eigen positie opeisen.
Hoe komt het dat er zoveel klankverschillen zijn in het Limburgs?
Waarom zegt met in de ene plaats sjtaon, in de andere plaats staon en weer ergens anders sjtoan? Waarom is er zo'n grote verscheidenheid in het woord voor 'jullie': gae, geer, gier, deer, dier, daer?
Het antwoord op die vraag is lastig. Taalkundigen gaan ervan uit dat het Limburgs rond 1200 veel meer dezelfde klanken en woorden had, dan nu. In de loop van acht eeuwen zijn er plaatselijke verschillen ontstaan. Waarom dat juist die specifieke verschillen zijn, is onbekend. Wel weet men dat dergelijke verschillen over de hele wereld ontstaan als grote groepen mensen zich opsplitsen en in kleinere groepen gaan wonen. Over de hele wereld is dat de oorzaak van taalvariatie. Maar taalgebruikers kennen alleen maar de taal uit de eigen taalomgeving.
De tweede tendens werkt tegengesteld. De taal mag nooit zoveel anders worden dat de verstaanbaarheid in het geding is. Tussen die twee tendensen schijnen dialectgebieden altijd te balanceren.
In Limburg hebben beide tendensen prima gewerkt: Limburgers kunnen elkaar goed begrijpen, maar er is toch behoorlijk wat variatie.
De smalle strook langs de Maas en rond Weert in het westen van de provincie wordt het Centraal-Limburgs genoemd. Die naam lijkt op het eerste gezicht merkwaardig, maar is zo gekozen omdat dit gebied samen met een groot gedeelte van de Belgische provincie Limburg het centrale deel vormt van het hele Limburgse taalgebied. De Centraal-Limburgse dialecten, bijvoorbeeld het Maastrichts of het Tongers, hebben geen sj-klank in woorden die beginnen met de medeklinkercombinatie sp-, st-, sl-, sm-, sn- en zw-: spele (‘spelen’), strikke (‘breien’), slaope (‘slapen’), maar wel – net als de meer oostelijk van dit gebied gelegen dialecten – in woorden waar de standaardtaal sch- kent: sjoeël (‘school’), sjoen (‘mooi’), sjolk (‘schort’). Uitzondering op deze regel vormen de dialecten van Weert en omgeving: daar gebruikt men die sch- wel.
Het Kleverlands
Het Kleverlands is in de kaart oranje gekleurd. De Kleverlandse dialecten vertonen al veel Brabantse trekjes. Zo spreekt men er bijvoorbeeld van geej en gillie in plaats van het in meer zuidelijk Limburgs gebruikelijke doe of dich (‘jij’) en geer (‘jullie’). Ten noorden van plaatsen als Velden, Venlo en Arcen kent men er ook het onderscheid niet meer tussen sleeptoon en stoottoon waarmee in een groot deel van de Limburgse dialecten een verschil in betekenis kan worden aangegeven: sjtein (met sleeptoon: ‘steen’; met stoottoon: ‘stenen’), sjloek (met stoottoon: ‘snoep’; met sleeptoon: ‘waterslang’), wins (met stoottoon: ‘winst’; met sleeptoon: ‘wens’).
Klik hier voor de Limburgse dialectkaart






