Visit Citebite Deep link provided by Citebite
Close this shade
Source:  http://www.amnesty.nl/landen_jaarboek/2886
Home > De bibliotheek: Landeninformatie > Jaarboek Verenigde Staten van Amerika 2005
Banner
Amnesty.nl Homepage
Header
Header

JAARBOEK VERENIGDE STATEN VAN AMERIKA 2005

Betreft informatie over 2004

Honderden gedetineerden werden zonder aanklacht of proces vastgehouden op de Amerikaanse marinebasis in Guantánamo (Cuba). Duizenden mensen werden gedetineerd tijdens Amerikaanse militaire en veiligheidsoperaties in Irak en Afghanistan, veelal zonder toegang tot familieleden of advocaten. Militaire onderzoeken werden ingesteld of uitgevoerd naar berichten over marteling en mishandeling van gedetineerden door Amerikaans personeel in de Abu Ghraib-gevangenis in Irak en naar vermeende sterfgevallen in hechtenis en mishandeling door Amerikaanse troepen elders in Irak, en in Afghanistan en Guantánamo. Er kwam bewijs boven tafel dat de Amerikaanse regering ondervragingsmethoden had goedgekeurd die in strijd waren met het VN-Verdrag tegen Foltering. Hoorzittingen voor militaire commissies gingen van start in Guantánamo maar werden opgeschort in afwachting van een uitspraak door een Amerikaanse rechtbank. In de Verenigde Staten overleden meer dan veertig mensen nadat ze getroffen waren door een Taser, een door de politie gebruikt wapen. Hierdoor ontstond twijfel over de veiligheid van dergelijke wapens. De doodstraf werd opgelegd en uitgevoerd. Lees hier de Engelstalige jaarboektekst
Feiten en cijfers
Achtergrond
Archief jaarboek

Staatshoofd en regeringsleider : George Walker Bush
Doodstraf : wordt gehandhaafd
Internationaal Strafhof : ondertekend
VN-Vrouwenverdrag : ondertekend
Facultatief Protocol bij het VN-Vrouwenverdrag : niet ondertekend


Achtergrond

Internationaal Strafhof

De Amerikaanse regering trachtte nadrukkelijker de bevoegdheden van het Internationaal Strafhof (ICC) in te perken. In december stemde het congres in met een bepaling uit een wetsvoorstel om bepaalde economische steun in te trekken aan landen die Amerikaanse verdachten uitleveren aan het ICC.

Guantánamo Bay

Eind 2004 zaten ruim vijfhonderd gedetineerden uit 35 verschillende landen nog altijd zonder aanklacht of proces vast op de Amerikaanse marinebasis in Guantánamo Bay omdat ze mogelijk banden onderhielden met al-Qaida of het voormalige Taliban-bewind in Afghanistan. Ten minste tien gedetineerden werden gedurende het jaar overgebracht naar de basis vanuit Afghanistan en ruim honderd anderen werden overgebracht naar hun eigen land waar ze gevangengezet of vrijgelaten werden. Onder de vrijgelaten personen bevonden zich ten minste drie kinderen, maar ten minste twee andere mensen die jonger dan achttien waren zouden eind 2004 nog vastzitten in Guantánamo. Het ministerie van Defensie deed geen mededelingen over de identiteit en het precieze aantal gedetineerden dat werd vastgehouden in Guantánamo, waardoor gevreesd werd dat gedetineerden ongemerkt naar de basis konden worden gebracht en eruit konden worden verwijderd.


In een historisch vonnis bepaalde het Amerikaanse Hooggerechtshof in juni dat Amerikaanse federale rechtbanken jurisdictie hadden over de gedetineerden in Guantánamo. De regering probeerde zoveel mogelijk te voorkomen dat de gedetineerden een nieuw proces zouden krijgen. Het Tribunaal ter Beoordeling van de Status van Strijders (CSRT), een administratief toetsingsorgaan bestaande uit panels van drie legerofficieren, werd opgericht om te bepalen of de gedetineerden “vijandelijke strijders” waren. De gedetineerden kregen geen rechtsbijstand en geheim bewijs kon tegen hen worden gebruikt. Talloze gedetineerden boycotten het proces, dat eind 2004 had bepaald dat ruim tweehonderd gedetineerden “vijandelijke strijders” waren en twee niet en dus konden worden vrijgelaten. De autoriteiten maakten teven bekend dat de zaken van als “vijandelijke strijders” aangemerkte gedetineerden jaarlijks herzien zouden worden door een administratieve beoordelingscommissie (ARB) om te bepalen of hun detentie nog gerechtvaardigd was. Ook hierbij zouden de gedetineerden geen toegang tot advocaten of inzage in geheim bewijs krijgen. Zowel de CSRT als de ARB mochten gebruik maken van via marteling of onder druk verkregen bewijsmateriaal. In december maakte het Pentagon bekend de eerste ARB te hebben uitgevoerd.


De regering deelde de gedetineerden mee dat ze habeas corpus-petities konden indienen bij federale rechtbanken, en verwees ze naar de districtsrechtbank in Washington DC. Ze voerde echter tegelijkertijd aan dat de gedetineerden de rechtmatigheid van hun detentie niet konden aanvechten op grond van staatsrecht of internationaal recht. Eind 2004, zes maanden na de uitspraak van het Hooggerechtshof, had nog geen enkele gedetineerde de rechtmatigheid van zijn detentie laten toetsen.


Detenties in Afghanistan en Irak

In augustus berichtte het Onafhankelijk Panel ter Beoordeling van Detenties door het Ministerie van Defensie, benoemd door minister van Defensie Donald Rumsfeld na de publicatie van foto´s van marteling en mishandeling door Amerikaans personeel in de Abu Ghraib-gevangenis in Irak (zie onder) dat sinds de invasies van Afghanistan en Irak circa vijftigduizend mensen gedetineerd waren tijdens Amerikaanse militaire en veiligheidsoperaties.


Amerikaanse troepen beheerden zo´n 25 detentiefaciliteiten in Afghanistan en zeventien in Irak (zie onder). Gedetineerden kregen vaak geen toegang tot advocaten en familieleden. In Afghanistan kreeg het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) alleen toegang tot gedetineerden op de luchtmachtbases Bagram en Kandahar.


Detenties op geheime locaties


Een aantal personen, van wie de Amerikaanse autoriteiten vermoedden dat ze waardevolle informatie zouden kunnen verstrekken, zouden op onbekende locaties in geheime detentie zitten. In sommige gevallen kwam hun situatie neer op “verdwijning”. Sommige personen zouden al drie jaar lang op geheime locaties worden vastgehouden. De weigering van de Amerikaanse autoriteiten om opheldering te verschaffen over de verblijfplaats of status van de gedetineerden, waardoor ze lange tijd verstoken bleven van rechtsbescherming, was duidelijk in strijd met de VN-Verklaring inzake de Bescherming van Alle Personen tegen Gedwongen of Onvrijwillige Verdwijning.


Er waren nog altijd berichten dat de Amerikaanse autoriteiten betrokken waren bij de geheime overdracht van gedetineerden tussen landen, waardoor ze het gevaar liepen te worden gemarteld en mishandeld.

Militaire commissies

Eind 2004 was het Militair Besluit inzake de Detentie, Behandeling en Berechting van Bepaalde Niet-Burgers in de Oorlog tegen Terrorisme uit 2001 van toepassing op vijftien gedetineerden. Gedetineerden die vermeld worden in het militaire besluit kunnen zonder aanklacht of proces worden berecht door een militaire commissie. Militaire commissies zijn uitvoerende organen, geen onafhankelijke of onpartijdige rechtbanken, en bevoegd om doodvonnissen op te leggen; tegen de besluiten van dergelijke commissies kan geen beroep worden aangetekend bij rechtbanken.


Vier van de vijftien gedetineerden – de Jemenieten Ali Hamza Ahmed Sulayman al Bahlul en Salim Ahmed Hamdan; de Australiër David Hicks; en Ibrahim Ahmed Mahmoud al Qosi uit Soedan – werden ngeklaagd wegens samenzwering om oorlogsmisdaden en andere misdrijven. De eerste hoorzittingen voor deze vier gedetineerden vonden plaats in augustus.


Op 8 november oordeelde de Amerikaanse rechter James Robertson, die zich boog over de habeas corpus van Salim Hamdan, dat hij niet mocht worden berecht door een militaire commissie. Robertson was van mening dat Hamdan alleen berecht kon worden door de krijgsraad op grond van het Uniforme Wetboek van Militair Recht, tenzij en totdat een “bevoegde rechtbank”, zoals voorgeschreven door artikel 5 van het Derde Geneefse Verdrag, bepaalde dat hij geen aanspraak kon maken op de status van krijgsgevangene.


Rechter Robertson bepaalde verder dat zelfs wanneer een “bevoegde rechtbank” die voldoet aan de eisen van het Derde Geneefse Verdrag (hetgeen naar het oordeel van de rechter niet bepaald kan worden door de president of de CSRT) Salim Hamdan de status van krijgsgevangene niet toekende, zijn proces voor de militaire commissie onrechtmatig zou zijn omdat de beklaagde niet aanwezig mag zijn bij bepaalde hoorzittingen en geen inzage heeft in geheim of “vertrouwelijk” bewijs. Processen voor de militaire commissie waren eind 2004 nog opgeschort, in afwachting van het beroep dat de regering had aangetekend tegen het vonnis van rechter Robertson.


Marteling en mishandeling van gedetineerden buiten de Verenigde Staten


Eind april werden foto´s gepubliceerd waarop te zien was hoe gedetineerden in de Abu Ghraib-gevangenis gemarteld en mishandeld werden door Amerikaanse soldaten. Dit bracht een golf van nationale en internationale verontwaardiging teweeg. President Bush en andere functionarissen lieten onmiddellijk weten dat het probleem beperkt was tot Abu Ghraib en een handvol losgeslagen soldaten.


Op 22 juni, na het uitlekken van regeringsdocumenten over de “oorlog tegen terrorisme” waaruit bleek dat marteling en mishandeling voorzien waren, besloot de regering bepaalde documenten aan de openbaarheid prijs te geven om “alle feiten op een rijtje te zetten”. De vrijgegeven documenten lieten echter zien dat de regering ondervragingsmethoden had goedgekeurd die in strijd waren met het VN-Verdrag tegen Foltering en dat de president in een centrale beleidsnota van 7 februari 2002 had gesteld dat ofschoon de Amerikaanse waarden “ons ertoe verplichten gedetineerden menselijk te behandelen”, sommigen “geen wettelijke aanspraak kunnen maken op een dergelijke behandeling”. De documenten beschreven onder meer manieren waarop Amerikaanse agenten het internationale verbod op marteling en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling konden omzeilen door aan te voeren dat de president internationale en nationale wetten die dergelijke behandeling verbieden tijdelijk buiten werking kon stellen. Deze en andere documenten toonden daarnaast aan dat president Bush op aanraden van zijn juridisch adviseur Alberto Gonzales had besloten de Geneefse Verdragen niet toe te passen op in Afghanistan gevangengenomen gedetineerden, omdat dit Amerikaanse ondervragers meer vrijheid zou geven in de “oorlog tegen terrorisme” en de kans op vervolging van Amerikaanse agenten wegens oorlogsmisdaden zou verkleinen. Na de presidentsverkiezingen in november benoemde president Bush Alberto Gonzales tot procureur-generaal in zijn nieuwe regering.


Op 30 december, kort voor de inaugurele hoorzittingen van Alberto Gonzales in de senaat verving het ministerie van Justitie een van haar meest omstreden nota’s inzake marteling, die dateerde uit augustus 2002. Ofschoon de nieuwe nota een verbetering was ten opzichte van diens voorganger, waren grote delen van de oorspronkelijke nota terug te vinden in een rapport van een werkgroep binnen het Pentagon over het ondervragen van gedetineerden in de wereldwijde oorlog tegen terrorisme, dat op 4 april 2003 verscheen, dat in werking bleef aan het einde van het jaar.


Een in februari door het ICRC opgesteld rapport over schendingen door coalitietroepen in Irak, die in sommige gevallen betiteld werden als “neerkomend op marteling” sijpelde door naar de pers, net als het rapport van een onderzoek door de Amerikaanse majoor-generaal Antonio Taguba. Zijn rapport maakte gewag van “talrijke incidenten van sadistische, schaamteloze en moedwillige gewelddaden” tegen gedetineerden in de Abu Ghraib-gevangenis tussen oktober en december 2003. Ook constateerde het dat Amerikaanse agenten in Abu Ghraib een aantal zogenaamde “spookgedetineerden” verborgen hadden voor het ICRC. Later werd bekend dat een van deze gedetineerden in hechtenis was overleden, een van de verscheidene sterfgevallen die gedurende het jaar aan het licht kwamen en waarbij marteling en mishandeling vermoedelijk een rol hadden gespeeld.


Gedurende het jaar stelden de autoriteiten strafrechtelijke onderzoeken en vervolging in tegen soldaten; ook werden regels en praktijken ten aanzien van verhoor en detentie tegen het licht gehouden. Uit de onderzoeken bleek dat er “circa driehonderd gevallen van vermeende schendingen in Afghanistan, Guantánamo en Irak hadden plaatsgevonden”. Op 9 september verklaarde majoor Paul Kern, die de leiding had over een van de militaire onderzoeken, tegenover het Comité inzake de Strijdkrachten van de senaat dat er mogelijks zelfs honderd “spookgedetineerden” in Amerikaanse hechtenis in Irak zaten. Minister van Defensie Rumsfeld gaf toe dat hij de Nationale Veiligheidsdienst (CIA) toestemming had gegeven om ten minste één gedetineerde uit de gevangenisregisters te houden.


De vrees bestond echter dat het leger zichzelf onderzocht en dat onderzoekers niet bevoegd waren om hun speurwerk tot in de hoogste regeringskringen door te voeren. Zo bleven de activiteiten van de CIA in Irak en elders met de nodige geheimhouding omgeven. Geen enkel onderzoek keek naar de vermeende betrokkenheid van de Verenigde Staten bij geheime uitleveringen en eventuele marteling of mishandeling die daarvan het gevolg waren. Veel documenten bleven achter slot en grendel. Amnesty International drong aan op een diepgaand onderzoek naar alle aspecten van de Amerikaanse “oorlog tegen terrorisme” en de daarbij gehanteerde regels en praktijken ten aanzien van verhoor en detentie.


Vrijgelaten gedetineerden beweerden dat ze waren gemarteld of mishandeld terwijl ze in Amerikaanse hechtenis zaten in Afghanistan en Guantánamo. Ook kwam bewijs boven tafel waaruit bleek dat derden, onder wie medewerkers van het Federaal Onderzoeksbureau (FBI) en het ICRC, op de hoogte waren van dergelijke schendingen.

Detenties van "vijandelijke strijders" in de Verenigde Staten

In juni oordeelde het Amerikaanse Hooggerechtshof dat Yaser Esam Hamdi, een Amerikaans staatsburger die al meer dan twee jaar zonder aanklacht of proces in militaire hechtenis zat als “vijandelijke” strijder, het recht had volgens de wet behandeld te worden en Amerikaanse rechtbanken te vragen de rechtmatigheid van zijn detentie te beoordelen (habeas corpus). Zijn zaak werd voorgelegd aan lagere rechtbanken. In afwachting hiervan werd hij in oktober vrijgelaten uit Amerikaanse hechtenis en onder de met zijn advocaten en de Amerikaanse regering overeengekomen voorwaarden overgebracht naar Saoedi-Arabië. Zo moest hij afstand doen van zijn Amerikaanse staatsburgerschap, beloven Saoedi-Arabië gedurende vijf jaar niet te verlaten en nooit naar Afghanistan, Irak, Israël, Pakistan of Syrië te reizen.


José Padilla, een Amerikaan, en Ali-Saleh Kahlah Al-Marri, een inwoner van Qatar, zaten nog altijd zonder aanklacht of proces vast als “vijandelijke strijders”. Padilla had eveneens een habeas corpus ingediend als Yaser Hamdi bij het Amerikaanse Hooggerechtshof, maar het hof verwierp deze omdat zijn beroep was ingediend in het verkeerde rechtsgebied. De zaak zou opnieuw worden gehoord in South Carolina, waar hij eind 2004 in militaire detentie zat.

Gewetensgevangenen

Gewetensbezwaarde stafonderofficier Camilo Mejía Castillo en sergeant Abdullah William Webster werden gevangengezet; ze waren gewetensgevangenen. Beide mannen zaten eind 2004 nog in de gevangenis.


Stafonderofficier Camilo Mejía Castillo werd veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf wegens desertie nadat hij weigerde terug te keren naar zijn eenheid in Irak omdat hij morele vraagtekens plaatste bij de rechtmatigheid van de oorlog en het optreden van Amerikaanse troepen tegen Iraakse burgers en gevangenen. Zijn proces in mei ging door ofschoon het leger nog geen besluit had genomen over zijn aanvraag om de status van gewetensbezwaarde te verkrijgen.


In juni werd sergeant Abdullah William Webster, die sinds 1985 deel uitmaakte van het Amerikaanse leger, veroordeeld tot veertien maanden gevangenisstraf en verlies van salaris en uitkering omdat hij had geweigerd deel te nemen aan de oorlog in Irak op grond van zijn geloofsovertuigingen. Hij was uitgezonden naar Irak ofschoon hij had verzocht om overplaatsing naar een niet-gevechtseenheid. Zijn aanvraag om de status van gewetensbezwaarde te krijgen werd geweigerd omdat zijn bezwaar niet gold voor oorlog in het algemeen maar voor een specifieke oorlog.

Vluchtelingen, migranten en asielzoekers

In november berichtte de Nationale Publieke Radio (NPR) over vermeende schendingen tegen gedetineerde immigranten die vastgehouden werden in drie gevangenissen in New Jersey, waaronder Passaic Jail en Hudson County Correctional Center. Twee gevangenen zouden zijn geslagen terwijl ze handboeien om hadden en anderen werden gebeten door waakhonden. Amnesty International had in 2003 bericht over vergelijkbare gewelddaden. De meeste slachtoffers in het NPR-rapport werden overgeplaatst voordat onderzoeken konden worden afgerond. Het ministerie van Binnenlandse Veiligheid verklaarde dat het bezig was verscheidene detentiefaciliteiten door te lichten, maar wilde niet zeggen welke gevangenissen deel uitmaakten van de beoordeling.


Mishandeling en buitensporig gebruik van geweld door wetshandhavers


Er waren berichten over mishandeling en sterfgevallen tijdens hechtenis door “nieuwe generatie” Tasers: krachtige elektroshockwapens die in ruim vijfduizend politiebureaus en strafinrichtingen incidenteel of routinematig ingezet werden. Meer dan veertig mensen overleden nadat ze geraakt werden door Tasers, waarmee het totale aantal sterfgevallen sinds 2001 op zeventig uitkwam. Ofschoon lijkschouwers de doodsoorzaak doorgaans toeschreven aan factoren als intoxicatie met verdovende middelen, constateerden ze in ten minste vijf gevallen dat Tasers een rol hadden gespeeld.


De meeste mensen die overleden waren ongewapende mannen die geen ernstige bedreiging leken te vormen toen ze een elektroshock toegediend kregen. Velen kregen meerdere schokken toegediend en sommige werden daarnaast ook nog eens bespoten met peperspray of op gevaarlijke wijze in bedwang gehouden, zoals een liggend iemand de handen en voeten op zijn rug samenbinden.


Tasers zouden op grote schaal worden gebruikt door agenten om mensen een schok toe te dienen die geestelijk in de war waren of gewoonweg weigerden bevelen op te volgen. Ook kinderen en bejaarden kregen elektrische schokken toegediend. In de meeste van zulke gevallen werden de agenten van alle blaam gezuiverd. In sommige staten waren Tasers al het door agenten meest gebruikte middel tegen een breed scala aan verdachten.


Amnesty International herhaalde haar oproep aan de Amerikaanse autoriteiten om het gebruik en de verkoop van Tasers en andere stunwapens op te schorten in afwachting van een grondig en onafhankelijk onderzoek naar het gebruik en de effecten ervan.


Doodstraf


In 2004 werden 59 mens terechtgesteld, waarmee het totale aantal gevangenen sinds 1976, het jaar waarin het Hooggerechtshof een eind maakte aan het moratorium op terechtstellingen, op 944 kwam. Texas voerde zijn 336 e executie uit sinds 1976 en 23 van de in 2004 in de VS voltrokken terechtstellingen vonden plaats in Texas. Vijf mensen werden uit de dodencel gehaald omdat ze onschuldig waren, hetgeen het totale aantal van dergelijke juridische dwalingen sinds 1973 op 117 bracht.


Acht mensen die in de Texaanse jurisdictie Harris County berecht waren, werden gedurende het jaar terechtgesteld, ondanks twijfels aan de betrouwbaarheid van het wettelijk bewijs dat onderzocht was door het gerechtelijk laboratorium van het politiekorps van Houston (HPD), waar in 2003 ernstige onregelmatigheden aan het licht getreden waren. In oktober verklaarde een rechter van het Texaanse gerechtshof dat er “een moratorium moest komen op alle terechtstellingen in zaken waarbij veroordelingen gebaseerd waren op bewijs van het gerechtelijk laboratorium van de HPD totdat de betrouwbaarheid van het bewijs was aangetoond”. Hij was de enige die tegenstemde toen het hof het verzoek om uitstel van executie van de terdoodveroordeelde Dominique Green afwees; Green had bedenkingen bij de nauwkeurigheid van de ballistische expertise in zijn zaak, en verwees naar de ontdekking van 280 dozen verkeerd gelabeld bewijsmateriaal dat mogelijk nieuw licht zou werpen op duizenden strafzaken. Dominique Green werd op 26 oktober terechtgesteld.


De Verenigde Staten overtraden het internationaal recht door de doodstraf op te leggen aan minderjarige delinquenten – mensen die ten tijde van het misdrijf jonger dan achttien jaar waren. Circa zeventig jeugddelinquenten waren in afwachting van hun executie, waarvan ruim eenderde in Texas.



  • In januari besloot het Amerikaanse Hooggerechtshof een door de staat Missouri aangetekend beroep in behandeling te nemen in de zaak Christopher Simmons, die zeventien jaar oud was ten tijde van het misdrijf. Het Opperste Gerechtshof van Missouri had zijn doodvonnis in 2003 vernietigd omdat een nationale consensus was ontstaan tegen de executie van minderjarige delinquenten. De geplande executies van een aantal minderjarige delinquenten werd opgeschort in afwachting van de uitspraak van het Hooggerechtshof, die gepland stond voor begin 2005.

Op 31 maart wees het Internationaal Hof van Justitie (ICJ) vonnis in een geding dat Mexico had aangespannen namens zijn onderdanen die in de VS gearresteerd waren, geen gebruik konden maken van hun consulaire rechten en ter dood veroordeeld waren. Het ICJ oordeelde dat de VS hun internationale verplichtingen op grond van het Verdrag van Wenen inzake Consulaire Betrekkingen niet hadden nageleefd en dat een rechtsherziening noodzakelijk was om na te gaan in hoeverre de overtredingen gevolgen hadden voor de zaken van de Mexicanen. Het ICJ toonde zich “buitengewoon verontrust” over het feit dat een executiedatum was vastgesteld voor Osvaldo Torres Aguilera, een van de Mexicanen waarop het rechtsgeding betrekking had. De executie van Osvaldo Torres werd vervolgens door de gouverneur van Oklahoma omgezet na een clementieverzoek van de Mexicaanse president en een advies tot omzetting door de clementiecommissie van de staat Oklahoma. Op 10 december verklaarde het Amerikaanse Hooggerechtshof het beroep ontvankelijk van José Medellin, een Mexicaan die in Texas in de dodencel zat, om te bepalen hoe Amerikaanse rechtbanken de uitspraak van het ICJ ten uitvoer moeten leggen. De zaak zou in 2005 behandeld worden.


Gevangenen met een historie van ernstige geestesziekte werden ter dood veroordeeld en terechtgesteld.



  • Charles Singleton werd op 6 januari geëxecuteerd in Arkansas. Zijn geestesziekte in de dodencel had van tijd tot tijd zulke ernstige vormen aangenomen dat hij onder dwang medicijnen toegediend had gekregen.

  • Kelsey Patterson, bij wie de diagnose paranoïde schizofrenie gesteld was, werd op 18 mei geëxecuteerd in Texas. De gouverneur van Texas legde een advies tot clementie door de Texaanse Commissie voor Gratie en Voorwaardelijke Invrijheidstelling naast zich neer.

  • Op 5 augustus werd James Hubbard terechtgesteld in Alabama. Hij was 74 jaar – en daarmee de oudste persoon die in de VS ter dood gebracht is sinds 1977 – en zat al ruim een kwart eeuw in de dodencel. Hubbard zou lijden aan dementie waardoor hij soms vergat wie hij was en waarom hij in de dodencel zat.

Rapporten en bezoeken Amnesty International



  • USA: Dead wrong -- The case of Nanon Williams, child offender facing execution on flawed evidence (AI Index: AMR 51/002/2004)

  • USA: “Where is the compassion?” – The imminent execution of Scott Panetti, mentally ill offender (AI Index: AMR 51/011/2004)

  • USA: Another Texas injustice -- The case of Kelsey Patterson, mentally ill man facing execution (AI Index: AMR 51/047/2004)

  • USA: Osvaldo Torres, Mexican national denied consular rights, scheduled to die (AI Index: AMR 51/057/2004)

  • USA: Undermining security -- violations of human dignity, the rule of law and the National Security Strategy in ‘war on terror’ detentions (AI Index: AMR 51/061/2004)

  • USA: An open letter to President George W. Bush on the question of torture and cruel, inhuman or degrading treatment (AI Index: AMR 51/078/2004)

  • USA: Appealing for justice -- Supreme Court hears arguments against the detention of Yaser Esam Hamdi and José Padilla (AI Index: AMR 51/065/2004)

  • USA: Restoring the rule of law -- The right of Guantánamo detainees to judicial review of the lawfulness of their detention (AI Index: AMR 51/093/2004)

  • USA: A deepening stain on US justice (AI Index: AMR 51/130/2004)

  • USA: Human dignity denied – Torture and accountability in the ‘war on terror’ (AI Index: AMR 51/145/2004)

  • USA: Guantánamo: Military commissions -- Amnesty International observer’s notes, No. 3 – Proceedings suspended following order by US federal judge (AI Index: AMR 51/157/2004)

  • USA: Excessive and lethal force? Amnesty International’s concerns about deaths and ill-treatment involving police use of tasers (AI Index: AMR 51/139/2004)

  • USA: Proclamations are not enough, double standards must end – More than words needed this Human Rights Day (AI Index: AMR 51/171/2004)


Afgevaardigden van Amnesty International bezochten Jemen in april en spraken daar met familieleden van gedetineerden uit de Golf-regio die vastgehouden werden in Guantánamo Bay. Een Amnesty-afgevaardigde woonde in augustus en november voorbereidende hoorzittingen bij van de militaire commissies.

Ga naar boven



Archief jaarboek


Bekijk het dossier van dit land  
16 september 2007
Bekijk sitemap
Zoeken
Voor de pers
Wereldnieuws
Goed Nieuws
Young Amnesty
Young Amnesty